Zitting, 26 mei 2008
Uw kenmerk: CBHO 2008/008
Inzake: De Jonge/Universiteit Leiden
PLEITNOTA
Geacht college,
Kern van de vraag is of het College van Bestuur van de Universiteit Leiden de inschrijving van heer De Jonge voor de studie Pedagogische Wetenschappen al dan niet terecht heeft geweigerd.
In het verweerschrift wordt door het College van Bestuur, nogmaals, een overzicht gegeven van de feiten die haar tot de weigering om de heer De Jonge in te schrijven als student hebben doen besluiten. Directe aanleiding zijn een aantal uitlatingen van De Jonge in de media waarin hij zich als pedofiel profileerde. Zo heeft [D]e Jonge gepleit om de strafrechtelijke grens van seksueel verkeer tussen volwassenen en minderjarigen te verlagen van 16 naar 14 jaar bij penetratie en zelfs naar 12 jaar bij orale seks.
Als motivering van het primaire besluit van 20 juni 2007 van het College van Bestuur om de heer De Jonge niet toe te laten tot de studie pedagogische wetenschappen aan de Universiteit Leiden is eerstens enkel naar voren gebracht het feit dat:
"inschrijving van iemand die zich openlijk als pedoseksueel presenteert, een ernstige aantasting zou betekenen van het vertrouwensklimaat binnen de universiteit en in het bijzonder het departement Pedagogische Wetenschappen, die zich zal uiten in een niet-aanvaardbare inbreuk op de vertrouwensrelatie die het departement met alle betrokkenen heeft."
De Jonge heeft in de media weliswaar zijn denkbeelden over pedofilie geuit, hij is nimmer strafrechtelijk veroordeeld voor welk feit dan ook, voorts hij betwist zijn denkbeelden te praktiseren. De denkbeelden van De Jonge horen bij de vrijheid van meningsuiting die inherent zijn aan een rechtstaat als Nederland. Sterk in theorie kunnen de denkbeelden van De Jonge tot wet worden indien een meerderheid van de tweede- en eerste kamer ermee in zou stemmen.
[blad 2/4]
De Jonge heeft bij bezwaar aangegeven dat de door het College van Bestuur aangevoerde argumenten niet enkel feitelijke grondslag missen maar dat bovenal een wettelijke basis ontbreekt om de inschrijving van De Jonge voor de studie Pedagogische Wetenschappen te weigeren. De Universiteit Leiden is een openbare Universiteit die, anders dan de (bijzondere) Radboud Universiteit in een eerdere procedure, zich niet kan beroepen op het bepaalde in artikel 7.37 lid 6 van de WHW.
De commissie voor de beroep- en bezwaarschriften Kamer voor de bestuurlijke zaken heeft in haar oordeel van 13 december 2007 het standpunt van De Jonge als juist erkend en nader toe[ge]licht. Kort gezegd stelt de commissie dat artikel 7.37 van de WHW, mede gelet op de wetsgeschiedenis, aldus dient te worden uitgelegd dat degene die heeft voldaan aan: de onderwijskundige voorwaarden, de administratieve voorwaarden en de financiële voorwaarden, dient te worden ingeschreven dan wel recht heeft op inschrijving. De in artikel 7.37 WHW aanwezige beoordelingsruimte is enkel gericht op het toetsen of is voldaan aan de vooropleiding[s]vereisten, de administratieve vereisten en de financiële vereisten. Artikel 7.37 WHW is volgens de commissie in die zin te beschouwen als een gebonden besluit, zodat de rol van het college in deze slechts beperkt is tot louter mechanische wetstoepassing. De wetgever heeft in lid 6 van artikel 7.37 WHW expliciet en enkel de bijzondere instelling de mogelijkheid geboden de eigen aard van de instelling te beschermen door op te treden tegen personen ten aanzien van wie gegronde vrees bestaat dat zij van de inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zullen maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van de instelling, dan wel van wie is gebleken dat zij [zulk] misbruik hebben gemaakt. Vast staat dat de Universiteit Leiden geen bijzondere instelling doch een openbare instelling is aan wie door de wetgever geen bevoegdheid tot weigering van een inschrijving als student is toegekend indien aan alle overige gestelde voorwaarden is voldaan, zoals in casu [...] het geval is.
Het college heeft desalniettemin het bezwaar van De Jonge ongegrond verklaard, waarbij haar weren dusdanig zijn uitgebreid dat zulks, met alle respect, niet anders kan worden betiteld als een schot hagel in hoop dat tenminste een kogel doel treft.
Kort samengevat zijn de weren van het College als volgt:
1. pedofilie is stoornis
2. aantasting vertrouwensklimaat
3. geen verplichting tot toelating
4. artikel 13 IVESC
5. artikel 2 EVRM
6. artikel 8 EVRM
7. eigen autonomie
[blad 3/4]
Het College van Bestuur is van mening dat pedofilie een stoornis is waarbij zij zich beroept op het bepaalde in de DSM-IV-TR van de American Psychiatric Association. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure heeft De Jonge aangegeven dat van een stoornis slechts sprake kan zijn indien aan een drietal criteria wordt voldaan. Hiervan is in casu geen sprake, in het bijzonder niet ten aanzien van het in de DSM-IV genoemde kenmerk dat de fantasieën en seksuele drang of gedragingen in significante mate lijden of beperkingen veroorzaken in het sociaal of beroepsmatig functioneren op andere belangrijke terreinen. De vaste overtuiging van het College van Bestuur dat iemand met een dergelijke stoornis de vertrouwensrelatie binnen de universiteit, in het bijzonder het departement Pedagogische Wetenschappen dan ook zal schaden is om die reden dan ook ongegrond.
De Jonge heeft niet alleen betwist dat zijn inschrijving een ernstige aantasting van het vertrouwensklimaat teweeg zou brengen, tevens heeft hij zich uitdrukkelijk bereid getoond voor die onderdelen van de studie waar contact met kinderen is vereist direct of indirect toezicht van een medestudent of docent te aanvaarden. Aan dit aanbod wordt in het geheel voorbij gegaan in het bestreden besluit van het College van Bestuur.
Anders dan de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften is het College van Bestuur van mening dat een wettelijke grondslag niet is vereist voor afwijzing van de heer De Jonge als student van de studie pedagogische wetenschappen. Volgens het College van Bestuur stelt artikel 2 eerste protocol over het EVRM niet de eis dat de inbreuk op het recht op onderwijs moet zijn terug te voeren op een wettelijke grondslag, een dergelijke eis vloeit evenmin voort uit artikel 13 IVESC alsmede het door de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften genoemde arrest van 22 juni 1973, NJ 1973, 386 (fluorideringsarrest).
Het College van Bestuur draait hiermee de zaken volledig om. Feitelijk komt het standpunt van het College van Bestuur erop neer dat alles mag wat niet verboden is. Dit standpunt kan [...] om eerder vermelde redenen geen stand houden.
Tot slot stelt het College van Bestuur dat het bestuur van een universiteit een aan de eigen autonomie inherente bevoegdheid heeft om, in ieder geval wanneer sprake is van een dringende reden, de inschrijving van de student te weigeren. Het college beroept zich daarbij onder[ ]meer op artikel 8 EVRM, bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het College miskent hiermee niet alleen dat artikel 8 EVRM ook geschreven is voor De Jonge maar bovenal dat het niet aan haar is maar aan de wetgever om de bevoegdheden vast te stellen (wetmatigheidsbeginsel). Het feit dat het - inmiddels ingetrokken - wetsvoorstel op het hoger onderwijs en onderzoek, Kamerstukken II, 2005-06, 30 588, nr 2, in de maak was om de weigeringsgronden van inschrijving te verruimen [...], toont aan dat het [aan] de wetgever is om daarvoor daadwerkelijk de mogelijkheden aan te reiken, niet aan het College van Bestuur.
[blad 4/4]
Het College van Bestuur verwijst voorts bij haar beroep op haar autonomie, naar de noot van B.P. Vermeulen bij de uitspraak van uw college van 17 april 2007, AB 2007, 151. Vermeulen stelt dat instellingen voor hoger onderwijs ook zonder een specifieke wettelijke grondslag in de WHW zoals artikel [7].37 lid 6 WHW gerechtigd zijn om studenten te weigeren. Zijn inziens is dat het geval, enkel omdat een ander standpunt tot [een] onaanvaardbare situatie zou kunnen leiden. Het lijkt Vermeulen niet logisch, een grondslag geeft hij evenwel niet[;] hij redeneert enkel naar de gewenste uitkomst toe. Wel geeft Vermeulen aan dat het wat hem betreft niet gaat om een bestuursrechtelijk geschil maar om een privaatrechtelijke kwestie. Voor zover uw college de zienswijze van Vermeulen mocht delen, betekent een en ander in elk geval dat niet het College van Bestuur het recht toe komt om De Jonge de inschrijving te weigeren.
Conclusie
Gelet op voormelde gronden verzoek ik uw college de beslissing van het College van Bestuur om de inschrijving tot de studie Pedagogische Wetenschappen te weigeren, te vernietigen en opnieuw rechtdoende De Jonge toe te laten tot voornoemde studie met veroordeling van het College van Bestuur in de kosten van het geding in zowel bezwaar als beroep.
Hoogachtend,
[handtekening]
Mr. Ing. A. Klein