Rechtbank te Den Haag
Zitting van 31 januari 2007
rolnr. 2006/3670
Conclusie van antwoord inzake
De Vereniging Partij voor Naastenliefde, {Vrijheid} en Diversiteit (PNVD),
gevestigd te Leiden,
Matheus Hendrik {Hendrick} Uittenbogaard,
in diens hoedanigheid van voorzitter van het
bestuur van de PNVD,
wonende te Leiden,
gedaagden sub 1 en 2,
procureur: mr. D.J.G. Timmermans
advocaat: mr. G.P. Hamer
De Staat der Nederlanden
(ministerie van Justitie),
van wie de zetel is gevestigd te Den Haag,
gedaagde sub 3,
procureur: mr. A.Th.M. ten Broeke
tegen
Martine Maria Elisabeth Rietjens,
wonende te Amsterdam,
eiseres,
procureur: mr. R.E. Troost
advocaat: mr. J.E. de Wijn
{---begin pagina 2---}
Gedaagde sub 3 - hierna: de Staat - doet zeggen voor antwoord:
1 Inleidende opmerking
De Staat betwist al hetgeen eiseres bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, behoudens voor zover uit het navolgende van een uitdrukkelijke erkenning blijkt.
2 De vordering
2.1 Eiseres vordert een verklaring voor recht dat de Staat, in het bijzonder de Minister van Justitie, onrechtmatig handelt door geen onderzoek te doen naar de onrechtmatigheid van gedaagde sub 1, de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit - hierna: de PNVD. Daarnaast vordert eiseres - subsidiair - de Staat te veroordelen in de kosten van de procedure.
Kennelijk bedoelt eiseres dat de Minister na heeft gelaten onderzoek te doen naar de mogelijkheid om de vereniging PNVD te ontbinden op grond van artikel 2:20 BW. De Staat leidt dit af uit hetgeen eiseres op pagina 9 van de dagvaarding stelt: "De Staat is nalatig jegens het belang van het kind door geen preventief onderzoek te verrichten naar het recht van bestaan van de vereniging." De Staat merkt op dat de subsidiair gevorderde proceskostenveroordeling niet toegewezen kan worden indien de primaire vordering wordt afgewezen.
2.2 Eiseres legt aan deze vordering ten grondslag dat de Minister, door het door eiseres gevorderde onderzoek na te laten, in strijd handelt met internationale verplichtingen ten aanzien van de rechten van het kind (het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, de artikelen 8 - 11 van het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij voornoemd verdrag, artikel 10 EVRM en het beleid van de Europese Unie), inbreuk maakt op het recht op veiligheid en bescherming van kinderen die slachtoffer zijn van mishandeling en van kinderen die het slachtoffer zijn van exploitatie ten behoeve van kinderpornografie. Voorts zou de Minister in strijd handelen met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, omdat een kind het recht heeft onbedreigd op te groeien tot een individuele persoonlijkheid. Tevens handelt de Minister volgens eiseres in strijd met het bepaalde in artikel 1:254 BW en artikel 300 lid 4 Sr en in strijd met maatschappelijke en zedelijke maatstaven die sinds het einde van de negentiende eeuw als rechtmatig worden beschouwd.
3 Verweer; ontvankelijkheid
3.1 De Staat is van mening dat eiseres niet in haar vordering kan worden ontvangen. De Staat licht dit standpunt als volgt toe.
{---begin pagina 3---}
Inleiding
3.2 Eiseres voert in de dagvaarding onder II (pagina's 3 en 4) het volgende aan ter onderbouwing van haar ontvankelijkheid:
* zij is als juriste werkzaam bij een juridisch adviesbureau voor kinderen en voelt zich zeer betrokken bij de rechten van het kind;
* omdat "aan een processueel belang van kinderen, zo ook van de groep volwassenen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik, onvoldoende de mogelijkheid wordt geboden toegang te krijgen tot rechterlijke toetsing ex art 6 EVRM." (inleidende dagvaarding, p. 3);
* de vordering betreft een verklaring voor recht en eiseres heeft recht op een inhoudelijke behandeling van de door haar opgeworpen rechtsvraag;
* de verklaring voor recht kan als een schadevergoeding in natura worden beschouwd; eiseres heeft "zo bezien (...) steeds belang bij morele declaratoiren" (inleidende dagvaarding, p. 3);
* eiseres had er op mogen vertrouwen dat de Minister "op grond van de democratische beginselen inzake de preventieve rechtsbescherming van kinderen" het Openbaar Ministerie de opdracht "had kunnen geven" tot het doen van nader onderzoek naar het programma van de PNVD;
* de burgerlijke rechter is bevoegd, nu er geen andere rechtsgang is aangewezen.
In het navolgende zal elk van deze gronden aan de orde komen.
3.3 Op grond van artikel 3:302 BW spreekt de rechter een verklaring uit op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. Ingevolge artikel 3:303 BW komt niemand een rechtsvordering toe zonder voldoende belang. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of eiseres onmiddellijk bij een rechtsverhouding met de Staat is betrokken, op grond waarvan een verklaring voor recht kan worden uitgesproken. Tevens rijst de vraag of zij voldoende belang heeft bij haar vordering.
3.4 De categorieën van de artikelen 3:302 BW en 3:303 BW overlappen elkaar niet geheel. Men kan onmiddellijk bij een rechtsverhouding zijn betrokken in de zin van artikel 3:302 BW, maar onvoldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW hebben bij een rechtsvordering. Het omgekeerde is eveneens mogelijk. Beide vereisten verdienen derhalve aparte bespreking.
{---begin pagina 4---}
Zie:
- J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M. Stolker & W.L. Valk, Vermogensrecht. Tekst en Commentaar, Kluwer: Deventer 2003, p. 300;
- Parlementaire Geschiedenis boek 3 BW, p. 915.
Artikel 3:302 BW
3.5 Een vordering tot een verklaring is slechts ontvankelijk indien zij wordt ingediend door een bij een rechtsverhouding betrokken persoon. In zijn algemeenheid is niet aan te geven wanneer sprake is van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon.
Zie:
- A.W. Jongbloed, Vermogensrecht, aant. 6 bij art. 302, suppl. 56 (september 2002);
- Parlementaire Geschiedenis boek 3 BW, p. 915.
3.6 De Hoge Raad heeft ten aanzien van artikel 3:302 BW het volgende overwogen:
"Bij de beoordeling van het middel dient voorop te worden gesteld dat een verklaring voor recht slechts kan worden uitgesproken op vordering van één (of meer) der bij een bepaalde rechtsverhouding onmiddellijk betrokken en enkel kan dienen tot het vaststellen van haar bestaan of het preciseren van haar inhoud in dier voege dat de betrokkenen bij die rechtsverhouding tot wie de vordering zich richt, door die vaststelling worden gebonden (HR 22 jan. 1993, RvdW 1993, 39) (AB 1993, 198, m.nt. FHvdB; red.). Het belang bij een zodanige vordering is naar haar aard in de eerste plaats gelegen in het belang tussen de betreffende betrokkenen eventuele onzekerheden ter zake van hun rechtsverhouding op te heffen."
HR 15 oktober 1993, NJ 1994, 8, rov. 3.2.
In het in dit citaat aangehaalde arrest van 22 januari 1993 oordeelde de Hoge Raad dat verzetsorganisaties niet-ontvankelijk waren in hun vordering tot een verklaring voor recht dat de pensioenbeschikkingen ten aanzien van de weduwe Rost van Tonningen in strijd waren met het recht. Het hof had eerder geoordeeld dat de organisaties wel ontvankelijk waren. Gelet op de statuten van de organisaties en in aanmerking genomen dat sprake was van relevante psychische schade bij enkele verzetsstrijders (ten gevolge van handelingen van de regering), was, aldus het hof, sprake van een rechtsverhouding tussen de Staat en de organisaties. De Hoge Raad oordeelde echter dat de organisaties niet onmiddellijk betrokken waren bij de rechtsverhouding tussen de Staat en de weduwe en dat niet van een rechtsverhouding tussen de Staat en de organisaties kon worden gesproken. De gevorderde verklaring voor recht had daarom niet inhoudelijk mogen worden behandeld.
Zie:
{---begin pagina 5---}
- HR 22 januari 1993, NJ 1994, 734, m.nt. CJHB, rov. 3.4.
Zie ook:
- HR 27 juni 1986, NJ 1987,354, m.nt. WLH
(niet-ontvankelijkheid nu eiser niet beoogt een werkelijk, partijen verdeeld houdend, rechtsgeschil te doen beslissen);
- HR 12 april 1985, NJ 1987, 269
(niet-ontvankelijkheid nu eiser niet onmiddellijk bij de rechtsverhouding is betrokken.)
3.7 Nu eiseres - ten aanzien van het gevorderde - niet onmiddellijk betrokken is bij een rechtsverhouding met de Staat, zal zij op die grond niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vordering. In de dagvaarding wordt overigens ook niets gesteld omtrent enige rechtsverhouding tussen eiseres en de Staat, terwijl het op de weg van eiseres ligt om aannemelijk te maken, zo er al sprake is van enige rechtsverhouding op grond waarvan een verklaring voor recht gevorderd zou kunnen worden, welke deze verhouding is. Eiseres heeft op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan.
Onvoldoende belang
3.8 Ten aanzien van het belang dat eiseres heeft bij haar vordering, merkt de Staat op dat zij een natuurlijk persoon is die voor de belangen van het kind in het algemeen wil opkomen. De Nederlandse wet biedt slechts onder de voorwaarden van artikel 3:305a BW de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Een dergelijk collectieve actie kan enkel door een stichting of een vereniging worden ingesteld, die zich de behartiging van de belangen van die andere personen in haar statuten ten doel stelt. Nu eiseres niet stelt op te komen voor een haarzelf toekomend belang, en niet voldaan is aan de vereisten van artikel 3:305a BW, heeft zij, anders dan zij in de dagvaarding onder II.1 stelt, geen belang bij haar vordering. Ook. Ook op deze grond zal ze niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
3.9 Zelfs al zou moeten worden aangenomen dat eiseres in onderhavige zaak een eigen belang toekomt, dan is dit geen voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW.
3.10 In het algemeen mag worden verondersteld dat een eisende partij voldoende belang heeft bij zijn vordering. Bij een vordering die strekt tot een verklaring voor recht, zal de eisende partij echter hebben te bewijzen dat hij voldoende belang bij die vordering heeft. De stelling van eiseres dat, waar het een verklaring voor recht betreft, zij steeds recht heeft op een inhoudelijke behandeling van haar rechtsvraag berust derhalve op een misvatting. Voor een verklaring voor recht bestaat een verzwaarde bewijslast ten aanzien van het belang van de eisende partij. Eiseres verkeert kennelijk in de veronderstelling dat de lat voor een verklaring voor recht lager ligt, terwijl zij hoger ligt.
{---begin pagina 6---}
Zie: onder meer:
- A.W. Jongbloed, a.w., aant. 6 op art. 3:302;
- HR 10 november 1989, NJ 1991, 248, m.nt. prof. mr. P.H. Kooijmans, rov. 3.10.
Vgl. ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch bij HR 23 juni 1996, 216, m.nt. WMK, onder 8:
"Toegegeven zij dat een vordering welke uitsluitend ertoe strekt om bij gewijsde het bestaan van een recht(sverhouding) te doen vaststellen slechts toelaatbaar is indien de eiser belang erbij heeft dat zodanige, de wederpartij bindende, beslissing reeds dadelijk door de rechter wordt gegeven. Terwijl in het algemeen mag worden verondersteld dat de eiser voldoende belang bij zijn vordering heeft, dient de eiser juist ingeval hij uitsluitend een verklaring voor recht vordert te bewijzen dat hij voldoende belang bij die vordering heeft."
Vgl. ook de noot bij HR 22 januari 1993:
"Stringente beperkingen aan het vorderen van een verklaring voor recht zijn noodzakelijk om te voorkomen dat de rechterlijke macht wordt overspoeld door procedures waarin buitenstaanders, alleen om gelijk te krijgen en zonder dat de beslissing enige verandering brengt in de bestaande rechtsverhoudingen, het rechterlijk oordeel vragen over rechtsverhoudingen waarbij zij geen partij zijn."
Een declaratoir vonnis is slechts mogelijk indien de eisende partij er belang bij heeft dat een voor de wederpartij bindende verklaring voor recht "reeds dadelijk door de rechter wordt gegeven". Een dergelijk belang is niet aanwezig indien de rechterlijke uitspraak "niet vermag baat te brengen ten opzichte van de wederpartij". In casu is dit het geval, eiseres heeft (enkel) een moreel belang bij haar vordering. De gevorderde verklaring voor recht kan haar geen baat brengen ten opzichte van de wederpartij (de Staat).
Vgl. HR 22 januari 1994, a.w., conclusie A-G Koopmans, onder 7:
"Die laatste situatie zou zich hier voordoen, nu de rechter door een afwijkend oordeel noch de beschikking van de Minister, noch diens vrijheid van oordelen in de toekomst, zou vermogen aan te tasten."
Zie ook:
- HR 15 december 1939, NJ 1940, 206.
3.11 Het uitspreken van een verklaring voor recht als 'schadevergoeding in nature', als genoegdoening voor psychisch leed, kan niet als een voldoende belang in de zin van
{---begin pagina 7---}
artikel 3:303 BW worden aangemerkt. Wat er ook zij van de door eiseres aangehaalde literatuur, de Hoge Raad heeft dit nimmer aangemerkt als een voldoende belang.
A-G Koopmans merkt hierover op in zijn conclusie bij het arrest van 22 januari 1994:
"Veel mensen lijden op veel gebieden psychische schade door het optreden van anderen - ook door dat van de overheid. Trekt men de redenering van het hof door, dan zouden zij altijd van de burgerlijke rechter een verklaring voor recht kunnen verkrijgen als de onrechtmatigverklaring hun psychische schade zou verhelpen of beperken. Daarmee kan elk onderwerp van publiek debat aan het oordeel van de burgerlijke rechter worden onderworpen [...]"
3.12 Eiseres zegt zich zeer betrokken te voelen bij de rechten van het kind. Deze betrokkenheid heeft haar kennelijk tot het instellen van onderhavige vordering bewogen. Een zuiver emotioneel belang, hoe zwaarwegend ook, kan echter niet gelden als een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW.
Zie:
- HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 ('Jeffrey').
Zie ook:
- HR 5 november 1999, NJ 2000, 63, m.nt. ARB.
Vgl. ook de wetsgeschiedenis m.b.t. de collectieve actie:
"Een collectieve actie met als enige doel een andermans visie via de rechter aan de kaak te stellen, zal nimmer doorgang kunnen vinden. [...] Een verklaring voor recht waarbij aan de rechter gevraagd wordt louter een oordeel over een volgens eiser verwerpelijke visie te geven kan deze toets niet doorstaan."
Kamerstukken II, 1992-1993, 22 486, nr. 5, p. 10-11.
3.13 Op de benadering die de Hoge Raad koos in het Jeffrey-arrest is door diverse auteurs kritiek geuit. Het vereiste van een voldoende belang zou soepeler moeten worden gehanteerd waar het een eis tot vaststelling van onrechtmatigheid betreft zonder een daaraan verbonden eis tot schadevergoeding.
Zie het door eiseres aangehaalde artikel:
- E. Gras, "De roep om het 'morele declaratoir': houdbaar in de civielprocesrechtelijke context?", Praktisch procederen 2001, p. 105-108.
De Staat merkt op dat eiseres deze auteur onvolledig citeert. De benadering waarbij een verklaring voor recht als een 'schadevergoeding in natura' wordt opgevat spreekt de auteur niet aan. In zijn conclusie merkt deze over de belangeis op: "Die eis berust - in zijn diverse varianten - op een proceseconomische noodzaak, die zelf niet aan belang heeft ingeboet."
{---begin pagina 8---}
Wat er ook zij van de kritiek die in de literatuur geleverd is op het arrest van de Hoge Raad, deze jurisprudentie is nog steeds van kracht: een 'zuiver emotioneel belang' is onvoldoende om een rechtsvordering in te kunnen stellen.
3.14 Een enkel ideëel belang is evenmin een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW.
Zie:
- HR 3 januari 1992, NJ 1994, 627, rov. 3.4;
- HR 21 december 2001, NJ 2002, 217, m.nt. TK, conclusie A-G Hartkamp onder 8.
Een principieel belang evenmin.
Zie:
- Gem. Hof Nederlandse Antillen en Aruba 1 oktober 1999, NJ 1999, 836.
3.15 Ten slotte wijst de Staat op de uitspraak in kort geding van de voorzieningenrechter te Den Haag van 17 juli 2006 tussen de stichting Soelaas c.s. en de PNVD (productie 3 bij inleidende dagvaarding). In rechtsoverweging 4.9 overweegt de voorzieningenrechter omtrent de ontvankelijkheid van de in persoon optredende eiseressen als volgt:
"De in persoon optredende eiseressen stellen dat zij deel uitmaken van een groep pedofilieslachtoffers (met inbegrip van hun ouders en sympathisanten). Zij willen uiting geven aan hun verontwaardiging. Dit betekent echter niet dat er een grond bestaat voor een op deze verontwaardiging gebaseerde, in hun eigen naam ingestelde vordering tegen gedaagden. Zij hebben daartoe niet een voldoende, eigen belang. Ook zij zijn in hun vordering niet ontvankelijk."
3.16 Het voorgaande leidt de Staat tot de conclusie dat eiseres, evenals de eiseressen in voornoemd kort geding, niet-ontvankelijk is in haar vordering. Er bestaat geen grond om anders te oordelen dan de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 17 juli 2006.
Omwille van de leesbaarheid van deze conclusie zijn niet alle stellingen van eiseres met betrekking tot de ontvankelijkheid in het bovenstaande weersproken. De Staat merkt daaromtrent, wellicht ten overvloede, het volgende op.
3.17 De stelling van eiseres dat kinderen en - kennelijk ook - volwassenen onvoldoende toegang tot de rechter hebben laat de Staat voor wat zij is, aangezien zij niet kan bijdragen aan de ontvankelijkheid van eiseres in haar vordering. Hetzelfde geldt voor de stelling dat nu de burgerlijke rechter bevoegd is, de ontvankelijkheid van eiseres in haar vordering is gegeven. Hetgeen eiseres in de dagvaarding onder II.3 (pagina 4)
{---begin pagina 9---}
stelt, vergt een inhoudelijke beoordeling. Deze stelling kan daarom evenmin bijdragen aan eiseres' ontvankelijkheid.
4 Inhoudelijk verweer
Opmerkingen vooraf
4.1 Nu eiseres in de dagvaarding op pagina 10 (vijfde alinea) zelf stelt dat bij de huidige stand van de wetgeving de vrijheid van vereniging in het voordeel van de PNVD moet worden uitgelegd, ziet de Staat niet in op welke grond eiseres van mening is dat de Minister onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten de mogelijkheden te onderzoeken om de PNVD te doen ontbinden. De stellingen van eiseres houden op dit punt een tegenstrijdigheid in. Reeds om die reden kan de vordering worden afgewezen.
4.2 De gevorderde verklaring voor recht dat de Minister onrechtmatig handelt door na te laten onderzoek te verrichten naar de onrechtmatigheid van de PNVD is eveneens niet voor toewijzing vatbaar, nu de Minister op verzoek van enkele Kamerleden wel degelijk de mogelijkheid heeft onderzocht om de PNVD te laten ontbinden. Dit blijkt uit - openbaar toegankelijke - Kamerstukken, hieronder aangehaald in de onderdelen 4.12 en 4.13. Nu de vordering van eiseres niets meer inhoudt dan de verklaring voor recht dat het nalaten van onderzoek onrechtmatig is, is zij niet voor toewijzing vatbaar. De Minister heeft in overleg met het openbaar ministerie de mogelijkheid van ontbinding reeds onderzocht en dat het resultaat eiseres kennelijk onwelgevallig is doet hier niets aan af. Voorzover eiseres aan haar vordering ten grondslag legt dat de Minister nagelaten heeft de opvattingen die door de PNVD geventileerd worden, te veroordelen, verwijst de Staat naar het antwoord van de Minister op vragen van het lid Van der Staaij:
"Hoewel ik de opvattingen van deze partij zeer verwerpelijk vind, zie ik de oprichting van deze partij niet als een signaal dat deze opvattingen in Nederland breed worden gedragen. In tegendeel, uit het publieke debat komt duidelijk naar voren dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking hier zeer afwijzend tegenover staat. In die zin ben ik dan ook niet verontrust."
Handelingen II, 2005-2006, 1860, Aanhangsel, p. 3959.
Beleidsvrijheid
4.3 Indien eiseres al in haar vordering kan worden ontvangen, en voorzover de vordering niet reeds op het voorgaande kan worden afgewezen, dienen voor de beoordeling van de vordering van eiseres de volgende uitgangspunten te gelden.
{---begin pagina 10---}
4.4 De bevoegdheid een verzoek te doen tot ontbinding van een bepaalde rechtspersoon op grond van artikel 2:20 BW komt exclusief toe aan het openbaar ministerie. De beslissing om een dergelijk verzoek in te dienen behoort tot de beleidsvrijheid van het openbaar ministerie:
"Op het openbaar ministerie rust niet de verplichting om gebruik te maken van de hierboven geschetste bevoegdheden. [O.a. een verzoek ex art. 2:20 BW, proc.] Dit betekent dat er beslissingsruimte bestaat in het kader van de rechtshandhaving bij de beoordeling of het uitoefenen van een bepaalde bevoegdheid opportuun moet worden geacht. Bij de opportuniteitsvraag dienen verschillende belangen steeds tegen elkaar te worden afgewogen."
M.E. de Meijer, Het openbaar ministerie in civiele zaken, Sanders Instituut 2003, p. 402.
4.5 Voorzover de overheid binnen de grenzen van de haar toekomende beleidsvrijheid handelt, komt aan de burgerlijke rechter geen oordeel toe over de vraag of de overheid haar taak op juiste wijze vervult. Dit is al tot uitdrukking gebracht in de zogenaamde Landsmeer-arresten:
"Een overheidsorgaan dat gebruik maakt van een in hoofdzaak discretionaire bevoegdheid, is bij de afweging van de daarbij in aanmerking komende belangen in beginsel vrij naar eigen inzicht de rangorde dier belangen te bepalen en overeenkomstig dat inzicht te beslissen."
HR 4 januari 1964, NJ 1964, 202 en 204 m.nt. JHB.
"Bij de beoordeling van de vraag of de overheid al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld, behoort de burgerlijke rechter zich te onthouden van een oordeel over handelingen die tot de beleidsautonomie van de overheid behoren."
Asser-Hartkamp 4-III, Verbintenissenrecht, Kluwer: Deventer 2006, p. 305.
Slecht indien de overheid bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot haar beleidskeuze had kunnen komen, kan sprake zijn van onrechtmatig handelen.
4.6 In de rechtspraak na de Landsmeer-arresten heeft de Hoge Raad privaatrechtelijk handelen van de overheid voorts rechtstreeks getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Zie o.a.:
- HR 27 maart 1987, NJ 1987, 727, m.nt. MS.
{---begin pagina 11---}
4.7 Bij de beoordeling van de hiervoor bedoelde beleidskeuze kunnen verplichtingen uit hoofde van rechtstreeks werkende verdragsbepalingen een rol spelen. De Staat gaat daarop nader in in onderdeel 4.18 van deze conclusie.
4.8 De Staat wijst er hier ten slotte op dat de rechter zich terughoudend pleegt op te stellen in politiek gevoelige zaken.
Zie:
- HR 21 december 2001, NJ 2002, 217, m.nt. TK, conclusie A-G Hartkamp onder 6.
Strijd met de openbare orde
4.9 Op verzoek van het openbaar ministerie kan uit hoofde van artikel 2:20 lid 1 BW een rechtspersoon verboden worden verklaard en ontbonden indien de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. Is het doel van een rechtspersoon in strijd met de openbare orde, dan kan op de voet van artikel 2:20 lid 2 BW eveneens ontbinding worden gevorderd. De rechtbank kan dan de rechtspersoon echter in de gelegenheid stellen binnen een door haar te stellen termijn het doel zodanig te wijzigen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde.
4.10 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 2:20 BW (2:15 en 2:16 (oud) BW) blijkt dat het begrip 'strijd met de openbare orde' beperkt moet worden uitgelegd:
"8. [...] Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen: ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreigingen daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. [...] Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.
9. Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging zijn pijlers der democratie. Gebruik daarvan zal dan ook niet licht als werkzaamheid in strijd met de openbare orde kunnen worden bestempeld. Ik [de toenmalige Minister van Justitie, proc.] zie niet goed welke andersoortige voorbeelden in strijd met de openbare orde zouden zijn te geven dan de voorbeelden in alinea 8. Deze geven voet aan de gedachte dat leden van politieke groeperingen uit vrees voor verbodenverklaring worden of zullen worden geremd in de vrijmoedigheid waarmee zij willen pleiten voor verandering van Grondwet, wet of beleid voor opzeggen van verdragen. Het uiten van politieke wensen wordt gewaarborgd door de vrijheid van meningsuiting, een
{---begin pagina 12---}
grondrecht dat ook in zware tijden hoog gehouden moet worden. over dergelijke pleidooien moet de kiezer oordelen, niet de rechter."
Kamerstukken II, 1984-1985, 17 476, memorie van antwoord, nrs. 5-7, p. 3.
4.11 Onder vigeur van de oude artikelen 2:15 en 2:16 BW is uitspraak gedaan op de vordering van het openbaar ministerie tot ontbinding van de Nederlandse Volks-Unie. De Volks-Unie werd door de rechtbank Amsterdam als een vereniging met een verboden karakter aangemerkt, de rechtbank ging evenwel niet over tot ontbinding. De rechtbank oordeelde dat de Volks-Unie:
"[...] de vrijheid van zeer vele anderen bij voortduring met opzet bedreigt, door hen immers uit te stoten en hen in bepaalde gevallen zelfs de burgerrechten te ontnemen. Haar bedoeling is dan ook niet het bereiken van een voor alle groepen zo redelijk mogelijke samenleving, maar zij beperkt zich tot een stelselmatig prikkelen van haat- en superioriteitsgevoelens, het deklasseren van grote aantallen economisch gehandicapten en hun verwijdering uit ons land. Dat zij stelt hiervan een "gewetenszaak" te hebben gemaakt, verduidelijkt slechts de ongeoorloofdheid van haar voortbestaan."
Rb. Amsterdam 8 maart 1978, 281 m.nt. Ma., rov. 11.
Zie ook:
- HR 9 maart 1979, NJ 1979, 363 m.nt. Ma.
4.12 De enige rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd met de openbare orde werd geoordeeld en ontbonden, was de Nationale Volkspartij/CP'86.
"[...] uit de doelstellingen en toelichting daarop, het beginselprogramma, de (geciteerde) passages uit propagandamateriaal, de partijbladen, de wijze waarop de publiciteit wordt gezocht, en het stickermateriaal [blijkt] dat met de werkzaamheid van de NVP/CP'86 niet anders wordt beoogd dan het oproepen en aanzetten tot, dan wel het bevorderen van discriminatie van allochtonen."
Rb. Amsterdam 18 november 1998, NJ 1999, 377, rov. 4.4.3.
4.13 De vordering tot ontbinding van de stichting Al Haramain Humanitarian Aid, omdat haar werkzaamheden, dan wel haar doelstelling, in strijd zouden zijn met de openbare orde werd afgewezen.
- Rb. Amsterdam 31 maart 2005, NJF 2005, 181.
4.14 Uit de zaken tegen de Volks-Unie en de NVP/CP'86 blijkt dat de rechter de grens trekt bij (het aanzetten tot) het plegen van strafbare feiten. Dit is in overeenstemming met de wetsgeschiedenis.
{---begin pagina 13---}
4.15 De voorliggende vraag is daarom of de PNVD aanzet tot het plegen van strafbare feiten. De Minister heeft zich, in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer, op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is.
"Het enkele nastreven van wijziging van bestaande wetgeving teneinde mogelijk te maken wat thans door de wet verboden is, is op zichzelf geen reden om aan een politieke partij bestaansrecht te ontzeggen. Zoals ik heb aangegeven [...] staat het in een democratische samenleving een ieder vrij tot oprichting van een politieke partij over te gaan en dient de overheid zich terughoudend op te stellen met betrekking tot de toelaatbaarheid van politieke opvattingen. Dit geldt in zijn algemeenheid ook als het opvattingen betreft die een pleidooi inhouden om bepaalde strafrechtelijke verboden op te heffen.
[...]
Anders wordt het indien de betreffende partij zou aanzetten tot de handelingen die de wet thans verbiedt. In dat geval acht ik de kans reëel dat de rechter strijd met de openbare orde zou aannemen. Ik voeg daaraan toe dat zeker bij de beoordeling van doelstellingen en werkzaamheden van politieke partijen terughoudendheid past. Het is inherent aan een levende democratie dat politiek verwerpelijke ideeën primair met kracht van argumenten moeten worden bestreden en dat daarover het oordeel in de eerste plaats aan de kiezer is, niet aan de rechter."
Handelingen II, 2005-2006, 2079, Aanhangsel, p. 4417-4418.
4.16 De Minister heeft naar aanleiding van de in de Tweede Kamer gestelde vragen reeds overleg gepleegd met het openbaar ministerie of de ontbinding van de partij op dit moment juridisch mogelijk is. Uitkomst van dit onderzoek was dat het enkele partijprogramma waarin gepleit voor het wijzigen van de wet, geen grond oplevert om de rechtbank om ontbinding te verzoeken.
Zie ook:
- Handelingen II, 2005-2006, 1859, aanhangsel, p. 3957;
- Handelingen II, 2005-2006, Aanhangsel, p. 3959.
Gelet op de vordering van eiseres tegen de Staat in combinatie met haar vordering tegen de PNVD omtrent de verklaring voor recht dat een aantal bepalingen in haar partijprogramma onrechtmatig is, probeert eiseres via een omweg een verzoek als bedoeld in artikel 2:20 BW te doen. Los van het feit dat eiseres een dergelijk verzoek niet kan indienen - die bevoegdheid komt slechts het openbaar ministerie toe - is het niet-indienen van een verzoek tot ontbinding van de PNVD geen handeling waartoe het openbaar ministerie niet in redelijkheid had kunnen beslissen. De antwoorden van de Minister zijn in lijn met de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie. Een
{---begin pagina 14---}
verzoek als bedoel in artikel 2:20 BW moet vooralsnog bij voorbaat kansloos worden geacht. De gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen.
Slotopmerkingen
4.17 Eiseres betrekt een groot aantal stellingen in de dagvaarding. De Staat heeft haar stellingen slechts besproken voorzover die betrekking hebben op de gevorderde verklaring voor recht dat het nalaten van de Minister om onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van de PNVD onrechtmatig is. Wellicht ten overvloede merkt de Staat nog het volgende op.
4.18 Met betrekking tot de stelling dat de Minister in strijd met het IVRK zou handelen merkt de Staat het volgende op. Eiseres maakt in de inleidende dagvaarding niet duidelijk op welke bepaling van het IVRK zij een beroep wenst te doen. Doe duidelijkheid is wenselijk, nu niet aan alle bepalingen van het verdrag rechtstreekse werking toekomt. De Nederlandse regering heeft zich bij de totstandkoming van de Goedkeuringswet op het standpunt gesteld dat een aantal bepalingen rechten betreft die in andere verdragen zijn vervat in bepalingen ten aanzien waarvan rechtstreekse werking reeds is vastgesteld of mogelijk moet worden geacht.
Zie:
Kamerstukken II 1992-1993, 22 855 (R 1451). nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 9.
Het gaat daarbij om de artikelen 7 lid 1; 9 lid 2; 9 leden 3 en 4; 10 lid 1; 12 lid 2; 13 t/m 16; 30; 37 en 40 lid 2.
De regering achtte het voorts niet uitgesloten dat ook enkele andere artikelen van het IVRK rechtstreeks door de rechter kunnen worden toegepast. Dit zou gelden voor de artikelen 5; 8 lid 1 en 12 lid 1.
Zie over deze materie o.a.:
- G.C.A.M. Ruitenberg, Het Internationaal Kinderrechtenverdrag in de Nederlandse rechtspraak, Amsterdam 2003, pp. 35-37.
Voor zover eiseres zich in de inleidende dagvaarding beroept op artikel 3, eerste lid IVRK (dat zou kunnen worden afgeleid uit de pagina's 3,5 en 9 van de dagvaarding) stelt de Staat voorop dat de regering die bepaling in de Memorie van Toelichting niet heeft genoemd als bepaling waaraan de rechter mogelijk rechtstreekse werking zal toekennen. Voor zover in de rechtspraak rechtstreekse werking is aangenomen, betreft het overwegend lagere rechtspraak, terwijl de hoogste rechtscolleges niet geheel van hetzelfde oordeel lijken te zijn.
{---begin pagina 15---}
Zie voor een overzicht van de lagere rechtspraak:
- G.C.A.M. Ruitenberg, a.w., pp. 185-190.
De Hoge Raad heeft met toepassing van artikel 81 RO het cassatieberoep verworpen in een zaak waarin de appèlrechter een beroep deed op de bepaling van artikel 3 lid 1 IVRK (HR 29 oktober 2004, LJN: AQ7387) en in een ander geval geoordeeld dat het vasthouden aan het wettelijk vermoeden van vaderschap niet in strijd is met artikel 7 juncto 3 en 8 IVRK (HR 15 november 2002, NJ 2003, 228).
De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een vreemdelingenzaak het oordeel van de rechtbank dat artikel 3 lid 1 IVRK niet voor rechtstreekse toepassing in aanmerking komt onderschreven. Naar het oordeel van de Raad van State bevat artikel 3 lid 1 IVRK, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Zie ABRvS 23 september 2004, JV 2004, 449.
Ook naar het oordeel van de Staat kan tegen rechtstreekse werking pleiten dat de bepaling een tamelijk vage instructienorm behelst. Zij luidt immers: "Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging." Dat geldt temeer wanneer wordt bedacht dat de Nederlandse vertaling aan een vertaalfout ten prooi is gevallen. De originele Engelse tekst spreekt van "a primary consideration", hetgeen minder dwingend lijkt te zijn dan "de eerste overweging" van de Nederlandse tekst.
Indien de bepaling van artikel 3, eerste lid al rechtstreekse werking zou toekomen, is vervolgens de vraag waartoe zij de Staat in concrete gevallen verplicht en of de bepaling in de context van de onderhavige procedure betekenis kan toekomen. Eiseres voldoet ook op dat punt niet aan haar stelplicht. De Staat c.q. de Minister is in zijn overwegingen omtrent de PNVD niet blind of doof geweest voor de belangen van het kind, doch heeft geoordeeld dat aan de vrijheid van meningsuiting en van vereniging overwegend gewicht diende toe te komen, althans dat er geen mogelijkheid bestond tot ontbinding van de partij. Daarmee heeft de Minister niet op onrechtmatige wijze tekort gedaan aan de belangen van het kind.
4.19 Eiseres onderbouwt evenmin haar stelling dat de Minister in strijd handelt met artikel 10 EVRM. Om die reden volstaat de Minister vooralsnog met een betwisting van de juistheid van die stelling.
4.20 Een aantal van de stellingen van eiseres hoort thuis in het publieke debat en de politieke arena en kan geen onderwerp van discussie zijn in de onderhavige procedure. Dit Geldt bijvoorbeeld voor de opmerking dat de Minister in strijd zou handelen met
{---begin pagina 16---}
"maatschappelijke en zedelijke maatstaven die sinds het begin van de negentiende eeuw als rechtmatig worden beschouwd." Maar ook bijvoorbeeld voor hetgeen eiseres in de dagvaarding op pagina 12 onder het kopje "De bijzondere bescherming van kinderen" opmerkt. Deze stellingen zijn overigens zo algemeen gesteld dat zij niet kunnen bijdragen aan toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht.
4.21 De stelling dat de Minister in strijd zou handelen met het bepaalde in artikel 1:254 BW en artikel 300 lid 4 Sr is evident onjuist. Eiseres onderbouwt deze stelling geenszins.
4.22 Het aanbod van eiseres op pagina 14 op de dagvaarding om een aantal deskundigen te horen kan worden gepasseerd. Geen van deze deskundigen zou iets kunnen verklaren dat relevant is voor de in deze zaak te nemen beslissing.
5 Bewijsaanbod
De Staat biedt - doch slechts voorzover op grond van artikel 150 Rv de bewijslast op hem zou rusten - bewijs aan van al zijn stellingen.
6 Conclusie
De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar vordering, althans tot afwijzing van deze, met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding, en met veroordeling van eiseres in de nakosten ad € 131,= dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,=, en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.
Procureur
-------------------
behandeld door A.Th.M. ten Broeke en J. Bijlsma
correspondentie postbus 11756, 2502 AT Den Haah
telefoon (070) 515 34 10
fax (070) 515 30 36
e-mail j.bijlsma@pelsrijcken.nl
zaaknummer 10018895
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen