Uitspraak CBho in de zaak De Jonge vs. Universiteit Leiden

College van Beroep voor het hoger onderwijs

CBHO 2008/008
Datum uitspraak: 20 juni 2008

Uitspraak in de zaak tussen:

N.L.M. de Jonge, wonende te Arnhem,
appellant,

en

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft verweerder, geweigerd om appellant in te schrijven als student voor de studie Pedagogische Wetenschappen aan verweerders universiteit.

Bij besluit van 21 januari 2008 heeft verweerder, voor zover thans van belang, het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij faxbericht, bij het College ingekomen op 23 maart 2008, beroep ingesteld. Op 4 april 2008 heeft hij de gronden van beroep aangevuld.

Bij brief van 13 mei 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2008, waar appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. ing. A. Klein, advocaat te Arnhem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan het besluit van 21 januari 2008 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, inschrijving van appellant, die zich openlijk als pedoseksueel afficheert, voor de door hem beoogde studie een ernstige inbreuk zou vormen op de vertrouwensrelatie die de universiteit in het algemeen en het Departement Pedagogische Wetenschappen in het bijzonder met alle daarbij betrokkenen heeft. Anders dan de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (hierna: de commissie), stelt verweerder zich op het standpunt dat bij de beslissing om appellant niet in te schrijven aan artikel 13 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet de betekenis toekomt die appellant daaraan gehecht wil zien, omdat voormeld artikel 13 geen rechtstreeks werkende verdragsbepaling is en het uit voormeld artikel 2 voortvloeiende recht op onderwijs niet inhoudt dat een ieder iedere wetenschappelijke opleiding die hij verkiest mag volgen. De uitzonderlijke positie van appellant brengt met zich dat hij niet zonder meer als iedere andere student voor inschrijving in aanmerking komt, aldus verweerder. Daarbij is van belang dat in het geval van inschrijving van appellant ook de rechten van derden, in het bijzonder het door artikel 8 van het EVRM gegarandeerde recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer, in het geding zijn. Nu uit voormeld artikel 2 niet voortvloeit dat een inbreuk op het recht op onderwijs een uitdrukkelijke wettelijke grondslag behoeft en het recht voor het stellen van het vereiste van een zodanige grondslag ook overigens geen aanknopingspunten biedt, volstaat als grondslag voor de weigering de inherente bevoegdheid van verweerder, die voortvloeit uit de eigen autonomie van de universiteit als onderwijsinstelling. Ingevolge de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) zijn universiteiten zelfstandige instellingen die binnen de wettelijke grenzen hun inrichting in vrijheid mogen bepalen. Die vrijheid komt tot uitdrukking in artikel 9.4 van de WHW, dat bepaalt dat het College van Bestuur een bestuurs- en beheersreglement vaststelt ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting, aldus verweerder. Ingevolge het vastgestelde Bestuurs- en beheersreglement is verweerder verantwoordelijk voor de veiligheid en welzijn van het personeel en studenten. Hij kan daarvoor niet meer instaan, indien appellant zal worden toegelaten. Voorts verzet artikel 7.37, eerste lid, van de WHW zich er niet tegen om appellant om voormelde reden niet in te schrijven, nu de tekst van die bepaling geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het daarbij om een gebonden bevoegdheid gaat. Bovendien volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling niet dat ook ingeval van zeer bijzondere omstandigheden een verzoek tot inschrijving nimmer mag worden afgewezen, indien niet aan de in die bepaling opgenomen vereisten wordt voldaan. Gezien de in dit geval bij de inschrijving betrokken belangen, zijn de gevolgen van inschrijving van appellant voor de door hem beoogde studie zo ingrijpend en tasten zij de belangen van derden zozeer aan, dat artikel 7.37, eerste lid, van de WHW, mede in het licht van artikel 8 van het EVRM, zo moet worden uitgelegd, dat deze bepaling grondslag biedt voor de weigering appellant in te schrijven, aldus verweerder.

Zo de wettelijke regeling toch zo zou moeten worden uitgelegd, dat de bepaling die grondslag niet biedt, dan is, volgens verweerder, het buiten toepassing laten van de wetsbepaling aangewezen, omdat toepassing in verband met deze, bij de totstandkoming van de bepaling niet verdisconteerde, omstandigheden in strijd zou komen met fundamentele rechtsbeginselen, in het bijzonder zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM.

2.2. In beroep heeft appellant aangevoerd dat, samengevat weergegeven, zoals de commissie heeft overwogen, artikel 7.37 van de WHW, mede gezien de geschiedenis van de totstandkoming van de bepaling, aldus moet worden uitgelegd dat degene die aan de gestelde onderwijskundige, administratieve en financiële vereisten voor inschrijving heeft voldaan, dient te worden ingeschreven, dan wel recht heeft op inschrijving. De in die bepaling opgedragen beoordeling is slechts of aan die vereisten is voldaan. Nu de bevoegdheid in artikel 7.37 van de WHW aldus gebonden is, had verweerder zich dienen te beperken tot een louter mechanische wetstoepassing. Verweerder heeft, door zich op het standpunt te stellen dat hem de bevoegdheid toekomt om, wanneer zich een dringende reden daartoe voordoet, de inschrijving van een student te weigeren, miskend dat het niet aan hem, maar aan de wetgever is om de bevoegdheden vast te stellen. Dat thans een wetsvoorstel wordt voorbereid om onder meer kwesties als deze te regelen, is daarvan een bevestiging, aldus appellant. Tot slot betoogt hij dat, nu de noodzakelijke wettelijke grondslag voor de weigering hem in te schrijven voor de door hem beoogde studie ontbreekt, de afweging tussen zijn belang en de belangen van derden, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, onbesproken kan blijven.

2.3. In het verweerschrift heeft verweerder nog aangevoerd dat instellingen voor hoger onderwijs - zowel bijzondere, als openbare - los van de door de WHW verleende specifieke bevoegdheden een aan de eigen autonomie inherente bevoegdheid hebben om binnen de door de WHW en andere wetten, zoals de Algemene wet gelijke behandeling en de redelijkheid en billijkheid, onderscheidenlijk de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gestelde grenzen, studenten af te wijzen of te verwijderen. Voorts zou het functioneren van het Departement Pedagogische Wetenschappen door de toelating van appellant in gevaar komen, niet slechts vanwege de invloed die diens aanwezigheid op medewerkers en studenten zou hebben, maar ook vanwege de schade aan de goede naam van de faculteit. Verweerder concludeert dat artikel 7.37, eerste lid, van de WHW voor een college van bestuur niet de verplichting met zich brengt om een ieder die aan de voor inschrijving gestelde eisen voldoet onder alle omstandigheden tot de opleiding toe te laten. Een college van bestuur zal een betrokkene kunnen weigeren, wanneer bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dat is in het onderhavige geval zo, aldus verweerder.

2.4. Ingevolge artikel 7.37, eerste lid, van de WHW, voor zover thans van belang, staat inschrijving open voor degene die voldoet aan de in titel 2 van hoofdstuk 7 van de WHW gestelde eisen, onverminderd artikel 7.8b, vijfde lid.

Uit deze bepaling volgt dat een student in beginsel voor de door hem beoogde opleiding wordt ingeschreven, indien aan de gestelde vereisten voor inschrijving is voldaan. Anders dan appellant betoogt, houdt de term 'staat inschrijving open' niet in dat het om een gebonden bevoegdheid gaat. Die bewoordingen van de bepaling brengen mee dat de inschrijving van een student onder bijzondere omstandigheden om dringende redenen kan worden geweigerd, ook indien aan de in die bepaling gestelde eisen voor toelating is voldaan. De toelichting bij de bepaling kan niet leiden tot een uitleg die zich niet met de bewoordingen ervan verdraagt.

2.5. Het in beroep aangevoerde geeft voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de eigenschappen van appellant, die zich als pedofiel bekent en het hebben van pedofiele betrekkingen publiekelijk voorstaat, zozeer haaks staan op hetgeen de wetenschappelijke opleiding in de Pedagogische Wetenschappen als uitgangspunt voor de opleiding hanteert, dat het volgen van de studie pedagogiek door hem zich niet met de essentie van die opleiding verdraagt en de opleiding zal ontwrichten.

Prof. dr. M.H. van IJzendoorn, hoogleraar Pedagogische wetenschappen, werkzaam bij verweerders universiteit, en prof. mr. P.F. van der Heijden, rector magnificus van verweerders universiteit, hebben ter zitting de te verwachten effecten voor de universiteit van een inschrijving van appellant, die zich openlijk in de media als pedofiel afficheert, nader toegelicht. Zo is verweerder intussen gebleken dat de verschillende instellingen op pedagogisch vlak, waarmee het Departement Pedagogische Wetenschappen samenwerkt, het vertrouwen in dat Departement zullen opzeggen en de samenwerking ermee zullen beëindigen, indien het risico bestaat dat zij appellant als stagiair binnen hun instelling zullen krijgen en verwacht verweerder dat ouders hun kinderen bij inschrijving van appellant als student niet meer aan de zorg van het departement zullen toevertrouwen of toestemming zullen geven voor het gebruik van beeldmateriaal van hun kinderen, tengevolge waarvan verplichte practica niet meer kunnen plaatsvinden en geen gebruik meer kan worden gemaakt van zulk beeldmateriaal, dat een belangrijk didactisch middel vormt voor de pedagogische opleidingen. Dat betekent dat studenten die thans een opleiding bij het Departement Pedagogiek volgen of beogen, hun opleiding niet zullen kunnen afronden.

Gezien deze uitzonderlijke te verwachten gevolgen van inschrijving van appellant voor verweerders universiteit en het Departement Pedagogiek in het bijzonder, die het College niet onaannemelijk voorkomen en appellant niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken, is in dit geval sprake van zodanig bijzondere omstandigheden, dat verweerder de inschrijving van appellant voor de door hem beoogde opleiding orthopedagogiek heeft mogen weigeren, als hij heeft gedaan.

2.6. Gelet op het vorenstaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.A.M. Mollee, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, als secretaris.

w.g. R.W.L. Loeb
voorzitter

w.g. C.M. Woestenburg-Bertels
als secretaris

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008